Libie

 


Veertien dagen ondergedompeld in de ruige schoonheid van de Centrale Sahara...de moeder van al mijn woestijntochten

November 2002

Een kleine impressie......

 

Na een binnenlandse vlucht zuidwaarts naar Sebha, de hoofdplaats van de Fezzan, de uitgestrekte zuidwestelijke woestijnprovincie, bevind ik mij eindelijk in het gebied waar ik al die jaren naar uitgekeken had. Met drie terreinwagens, bestuurd door lokale chauffeurs, vertrekken we naar het Akakus-massief, een tocht waarvoor we twee dagen onderweg zijn.

Vanaf hier voegen zich twee Toearegs, leden van de inheemse bevolking van de Sahara, bij onze groep. Ali spreekt behoorlijk Frans en leert ons de streek en haar geheimen kennen, terwijl de andere man,Khader, zorgt voor de 'innerlijke mens' en ons sobere maar lekkere maaltijden kookt.

Onderweg verkennen we het gebied dat Edeyen Ubari, de Ubari zandzee, wordt genoemd. Hier vinden we de zoute meren, fragiele ecosystemen temidden van een indrukwekkend landschap van zandduinen, die tot 70 meter hoog kunnen zijn.

 

Deze duinen zorgen voor spannende en onvergetelijke omenten in de terreinwagens. Telkens de verwoede pogingen om erop te geraken, daarna de diepte langs de andere kant induiken, het vastlopen van de wielen enz. Gelukkig zijn onze chauffeurs bedreven in deze situaties, en het blijft me verbazen hoe ze nooit het spoor kwijt raken in deze eindeloze zandvlakten en sterk op elkaar lijkende, grillige duinenmassa's. Wegwijzers zal je hier niet vinden en de sporen van de banden worden al snel uitgeveegd in het mulle zand, dat bovendien op verschillende momenten van de dag van kleur verandert.

En toch rijden we steeds meer zuidwaarts, dieper het land in. Onvergetelijk blijken ook de muggen die mij bij die zoutmeren het leven lastig maken. De dikke rode vlekken die ze achterlaten op mijn armen zal ik voor de rest van de reis moeten verdragen, met een hardnekkige jeuk waarbij alleen enkele zalfjes soelaas bieden. Aangezien het de eerste avond in de woestijn niet te koud is, besluiten we onder de blote hemel te slapen. Het is echter jaren geleden dat ik mij nog in een slaapzak gewenteld heb en op de harde ondergrond heb geslapen, en dit zal mij nog enkele bijna slapeloze nachten bezorgen. Het ongemak wordt evenwel goedgemaakt door de nabijheid van ontelbare sterren en sterrenbeelden waar je de hele nacht zoet mee bent. En af en toe valt er een ster zomaar naar beneden, en soms zoveel tegelijkertijd dat ik niet vlug genoeg mijn stille wensen kan verzinnen. 


Tijdens ons verblijf, op vijf november, begint de Ramadan, de islamitische vasten. Gedurende een periode van dertig dagen wordt er ttussen zonsopgang en zonsondergang gegeten noch gedronken. Ik kan deze mensen niet anders dan bewonderen voor de diepe beleving van hun religiositeit. Dikwijls zijn we afstandelijke, stille getuigen van de manier waarop ze in alle rust hun gebeden doen. Het is een wonderlijke wereld. Dat komt des te sterker tot uiting door de verscheidenheid in ras en cultuur in onze groep, waarbinnen we een groot wederzijds respect voor elkaar voelen. Dit zal tijdens het verdere verloop enkel maar intenser worden.

Na twee dagen reizen langs de duinenrij van de Edehen Mursuq, waarbij we ook nog de wadi van Messak Settafet met zijn prachtige prehistorische rotsgravures en schilderijen bezoeken, rijden we naar het startpunt van onze voettocht in het onherbergzame en afgelegen Tadrart Akakus. Ook dit gebied is omwille van zijn uitzonderlijke rijkdom aan gravures en rotstekeningen door de Unesco erkend als een Werelderfgoed. De Libische regering schermt dit gebied dan ook streng af. Bezoekers moeten een vergunning hebben om het te betreden, en we moeten er bovendien onze reispas afgeven. Van hier af zijn we voor zeven dagen 'sans-papiers', volledig overgeleverd aan de welwillendheid van de lokale ploeg van Toearegs die ons de komende dagen met hun dromedarissen door de woestijn zullen leiden. Het landschap, bezaaid met spectaculaire rotspartijen die in kleur en vorm fel variëren en contrasteren met de fotogenieke duinen van erosiezand, is adembenemend. Op rotsen in wadi's laat onze gids Ali ons rotsschilderijen ontdekken, getuigen van de mensen die hier enkele duizenden jaren geleden in dit gebied gewoond hebben. Het is een unieke belevenis, die ieder van ons voor een stuk op zijn eigen manier beleeft. Het is pas hier dat ik echt ondergedompeld wordt in een woestijn van stilte, een dagenlange rust op het monotone tempo van de onvermoeibare dromedarissen. Tijdens de tocht wandelen we voor, achter of naast deze mooie en verzorgde dieren, begeleid door de blauwe mannen met hun hoofddoeken. Tussen de drie à vijf meter heb je nodig om deze doek rond het hoofd te kunnen draperen. We zijn een groep nomaden; we eten, slapen, bidden samen, maken grappen, lachen en zingen, net zoals een hechte familie samen onderweg. Er is liefde, soms leegte, en vriendschappen voor het leven ontstaan hier. We keren terug in onszelf en de last van dagelijkse beslommeringen in het thuisland laten we ver achter ons. Ons leven krijgt geleidelijk aan een primitiever karakter, en aangezien wassen een vrij zeldzame gebeurtenis wordt, blijft er elke dag steeds wat meer vuil aan ons vasthangen. Mijn haar klit vol met zand maar ik krijg langzamerhand een roodbruine woestijntint. Overdag is het aangenaam warm, met een temperatuur die schommelt rond de dertig graden en met af en toe een licht windje. Het urenlang stappen in het mulle zand of op de stenen, onder een brandende zon, maakt het echter ook soms lastig. Maar die zon is zo belangrijk in dit dagelijks bestaan. Elke morgen reppen we ons uit onze slaapzak om ze te zien opkomen, en vooral 's avonds zijn we getuigen van een schitterend schouwspel van haar langzaam ondergaan. We zitten dan op een hoge duin, gehuld in een kleurenpalet van rood, bruin, violet en heldergeel, dat brandt op onze netvliezen tot die gloeiende massa volledig achter de horizon verdwenen is. De magie is dan verdwenen en we ontwaken in een lichte duisternis die heel snel overgaat in de betovering van duizenden lichten en een heldere maan. 

En dan is er de koude woestijnnacht, met een stilte nog stiller dan tijdens de dag. En als ik niet kan slapen, dan schrijf ik in mijn dagboek, om me later elk detail van deze wonderlijke reis te herinneren. Als ik dat alles, deze intense ervaringen, zou willen vastleggen op papier, zou ik nog veel tijd en inkt nodig hebben. Aan deze droom komt dan natuurlijk op een dag een einde.Het afscheid van de Toearegs valt ons zwaar, want met deze fantastische mensen hebben we zeer intense dagen meegemaakt. Nu al weet ik dat ik hier op een dag zal terugkomen, de woestijn blijft op de één of andere manier steeds roepen. Niet zij ligt aan mijn voeten zoals ik aanvankelijk dacht, maar ik aan de hare. Op de laatste dag bezoeken we de de kleine, maar indrukwekkende site van Sabratha die één van de prachtigste gerestaureerde theaters bevat.

Op zondagmorgen, 17 november, stap ik opnieuw mijn dagelijks bestaan in Oostduinkerke binnen, maar de ervaring blijft nazinderen. Ik kan nog niet scheiden van mijn woestijnrok, mijn tegen de zon beschermende sjaal en de ténéré-schoenen die mij zo'n honderd kilometer door deze fascinerende zandvlakten hebben geloodst. Mijn zilveren Toeareg-juweeltje en mijn foto's zullen me blijven herinneren aan deze bizarre, maar onvergetelijke dagen. Nog even niet loslaten.... 

en toen was er een hoge zandduin 
en een witte vlek en een hemel vol met lichten 
en een vallende ster 
en een blinkende maan 

en de stilte..

karine lensen-opsomer

 



 
Sitemap | Copyright Karine
Opsomer
  | Development by Faromedia